Het Federaal Mobiliteitsbudget is geen bedrag dat een werkgever vrij kiest. Het is gelijk aan de Total Cost of Ownership van de bedrijfswagen waar de werknemer recht op heeft, of die hij vandaag rijdt. De wetgeving legt vast hoe u die TCO berekent, welke kosten u mag meetellen, en binnen welke grenzen het resultaat moet vallen. Binnen die grenzen legt u zelf een reeks keuzes vast in uw policy. Deze pagina zet beide op een rij: wat de wet bepaalt, en wat u bepaalt.
1. Het uitgangspunt: de TCO van de wagen waar de werknemer recht op heeft
Het budget vertrekt niet van wat een werknemer nodig heeft, en niet van wat een werkgever wil spenderen. Het vertrekt van de wagen uit het bedrijfswagenbeleid.
- Een werknemer die vandaag een wagen rijdt, neemt de TCO van die wagen mee.
- Een werknemer die recht heeft op een wagen maar er geen rijdt, vertrekt van de TCO van de wagen uit zijn categorie in het bedrijfswagenbeleid.
De TCO is dus een afgeleide van het wagenbeleid. Wie het wagenbeleid wijzigt, wijzigt de mobiliteitsbudgetten die eruit volgen.
2. Het budget is in principe individueel
Dit is het punt dat het vaakst verkeerd begrepen wordt, en de vraag die HR het vaakst terugkrijgt: waarom heeft mijn collega een ander bedrag dan ik?
Het mobiliteitsbudget is geen bedrag per functieklasse. Het is in principe een individueel bedrag, en dat geldt bij beide berekeningsmethodes — om verschillende redenen.
Bij werkelijke kostprijs volgt het budget de wagen. Twee werknemers in dezelfde functie met een andere wagen, een andere leeftijd van die wagen of een ander leasecontract komen op een ander bedrag uit. Wie drie jaar geleden een duurdere wagen koos binnen dezelfde categorie, neemt dat verschil mee in zijn budget.
Bij de forfaitaire methode volgt het budget de woon-werkafstand. De variabele component — de brandstof- en elektriciteitskost — wordt berekend op basis van de eigen woon-werkafstand van de werknemer:
Twee werknemers met exact dezelfde wagen krijgen dus een ander budget zodra ze op een andere afstand van kantoor wonen.
Wie verder woont, krijgt een hoger budget.
Dat tarief van €0,1428 per kilometer geldt voor de periode 01.07.2026–30.06.2027. Het is afgeleid van de kilometervergoeding van de Staat en wordt periodiek herzien — een berekening met het tarief van vorig jaar geeft een ander budget.
Wat dat praktisch betekent. U moet elk individueel bedrag kunnen uitleggen aan de werknemer, en u moet het consequent kunnen verantwoorden over de hele populatie. Dat is geen theoretisch risico: het is de meest gestelde vraag bij uitrol, en bij een sociale inspectie of een vraag van de vakbond is het de berekeningslogica die u moet kunnen tonen — niet het bedrag.
De policy-keuze die hierop ingrijpt. U kunt het budget individueel berekenen, of per functiecategorie op basis van een referentiewagen. Een berekening per categorie geeft minder uitleg en minder uitzonderingen, maar wijkt verder af van de reële kost van de individuele werknemer. Beide zijn toegelaten, zolang ze consequent toegepast worden voor alle werknemers.
3. Twee wettelijke berekeningsmethodes
Sinds 01/01/2024 bestaan er twee methodes om de TCO te bepalen (KB van 10/09/2023):
Werkelijke kostprijs. U gebruikt de reële gemiddelde kosten van de wagen over de afgelopen vier jaar. Alle ingevoerde kostenposten moeten dat gemiddelde weerspiegelen — niet de kost van vorige maand, en niet de offerte van de leasingmaatschappij.
Forfaitaire formule. U gebruikt wettelijk vastgelegde parameters in plaats van de reële kosten. Brandstof en elektriciteit worden geschat op basis van de woon-werkafstand, en wagens in eigendom worden gewaardeerd aan een vast percentage van de cataloguswaarde.
De methodes geven voor dezelfde wagen niet hetzelfde resultaat. Welke van de twee hoger uitvalt, hangt af van de wagen, de leeftijd, het kilometerprofiel en of de werkgever de brandstof betaalt.
4. De methodekeuze is een beleidsbeslissing, geen rekenkundige
- De keuze geldt minstens drie jaar. U kunt niet per werknemer, per dossier of per jaar switchen naar de methode die op dat moment beter uitkomt.
- De keuze geldt voor alle werknemers. Ze moet consequent toegepast worden over de hele populatie.
- Een wijziging vereist een kennisgevingstermijn aan de betrokken werknemers, en de nieuwe methode geldt opnieuw minstens drie jaar. Werknemers die niet akkoord gaan, kunnen hun deelname stopzetten volgens de opzegmodaliteiten in de policy.
Wie de twee methodes niet naast elkaar heeft doorgerekend vóór de keuze, zit er drie jaar aan vast.
5. Werkelijke kostprijs: wat "gemiddelde over vier jaar" betekent
De berekening vertrekt van de reële gemiddelde jaarlijkse kosten over de afgelopen vier jaar. In de praktijk roept dat drie vragen op:
- Een wagen die nog geen vier jaar bestaat. Er is geen vier jaar historiek om te middelen.
- Een wagen midden in een leasecontract. De kosten in jaar 1 en jaar 4 lopen uiteen.
- Een nieuw model in de car policy. Er is geen historiek.
Dit is precies waarom organisaties met een gemengde en bewegende vloot vaak bij de forfaitaire methode uitkomen: niet omdat ze een hoger budget geeft, maar omdat ze reproduceerbaar is en geen historische dataverzameling per wagen vereist.
6. Hoe het budget evolueert in de tijd
Dit is de beslissing waar HR en Finance het vaakst over discussiëren, en ze gaat over voorspelbaarheid tegenover rechtvaardigheid. Ze bestaat uit drie onderdelen.
Vast bedrag voor een vaste periode. U legt het bedrag vast voor bijvoorbeeld vier, vijf of zes jaar — meestal afgestemd op de looptijd van uw leasecontracten. De werknemer weet exact waar hij aan toe is en de kost is voorspelbaar. Het nadeel: na enkele jaren inflatie koopt hetzelfde bedrag minder mobiliteit.
Indexatie. Indexering van het budget is niet verplicht — het is een keuze die u in uw policy vastlegt. Kiest u ervoor, dan mag de indexatie de sectorale loonindex niet overschrijden. De gangbare varianten: de sectorale loonindex volgen, de gezondheidsindex volgen met de sectorale loonindex als plafond, of een vast percentage van de sectorale loonindex.
Functiewijziging. Bij een promotie of functiewijziging die tot een andere wagenklasse leidt, wordt het budget aangepast vanaf de eerste dag van de maand waarin de wijziging plaatsvindt. Dit onderdeel is niet optioneel: de officiële FAQ gaat ervan uit dat een functiewijziging het budget beïnvloedt.
Wat hoe dan ook gebeurt, ook bij een vast budget. Elk jaar op 1 januari wordt getoetst of het budget nog binnen het wettelijke minimum en maximum valt. Die bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.
"Vast" betekent dus niet "onaangeroerd": een bevroren bedrag dat onder het nieuwe minimum zakt, moet omhoog.
Wat dit betekent voor de uitvoering. Alle varianten zijn verdedigbaar. Het verschil zit in het beheerwerk: een budget dat meebeweegt met indexatie en functiewijzigingen betekent dat iemand elk jaar elke werknemer herrekent, de nieuwe bedragen doorgeeft aan payroll, en het verschil kan uitleggen. Met honderd deelnemers is dat een jaarlijks project. Geautomatiseerd is het een batch.
7. Wat u verder in uw policy vastlegt
Naast de berekening zelf legt u een reeks praktische keuzes vast. Ze bepalen samen hoeveel vragen u achteraf krijgt.
| Wat u vastlegt | De keuzes | Standaard in onze Policy Generator |
|---|---|---|
| Berekeningsmethode | Werkelijke kostprijs of forfaitair | — (bewuste keuze, zie sectie 4) |
| Evolutie van het budget | Vast N jaar · indexatie · functiewijziging (altijd van toepassing) | Vast 5 jaar + functiewijziging |
| Anciënniteitsvoorwaarde | Geen, of een minimumaantal maanden in dienst | Geen |
| Contracttypes | Enkel onbepaalde duur, of alle contracten | Onbepaalde duur |
| Uitgesloten functies | Functies die de wagen nodig hebben voor de job | Uitsluiten |
| Moment van overstap | Enkel op het einde van het leasecontract, zonder vervroegde verbreking · of een eigen regeling | Einde leasecontract |
| Dienstverplaatsingen | Niet terugbetaald · of bovenop het budget vergoed | Niet terugbetaald |
| Pijler 1 aanbieden | Wel of niet, en aan reële dan wel forfaitaire kost ingebracht | — |
| Terugkeer naar bedrijfswagen | Wachtperiode in jaren · opnieuw instappen toegestaan of niet | Opnieuw instappen toegestaan |
| Deeltijds werk | Pro rata · of een drempelregeling | Pro rata |
| Schorsing van de overeenkomst | Na gewaarborgd loon · of volgens de regels van de car policy | Na gewaarborgd loon |
| Indientermijn onkosten | Aantal maanden na de maand van de uitgave | 1 maand |
| Betaalwijze | Kaart · voorschieten · of beide | Beide |
Deze keuzes vastleggen in een policy?
Start de FMB Policy Generator8. Forfaitaire formule: de wettelijke parameters
Brandstof en elektriciteit. Geschat aan €0,1428 per kilometer (01.07.2026–30.06.2027), waarbij het jaarlijkse kilometeraantal forfaitair bepaald wordt:
Wagens in eigendom of financiële leasing. Gewaardeerd aan 25% van de gecorrigeerde cataloguswaarde per jaar.
Leeftijdscoëfficiënt. De cataloguswaarde wordt gecorrigeerd naargelang de leeftijd van de wagen:
| Leeftijd wagen | Coëfficiënt |
|---|---|
| tot 12 maanden | 1,00 |
| 13–24 maanden | 0,94 |
| 25–36 maanden | 0,88 |
| 37–48 maanden | 0,82 |
| 49–60 maanden | 0,76 |
| ouder dan 60 maanden | 0,70 |
Beide methodes doorrekenen met de actuele parameters?
Open de TCO Calculator9. Welke kosten meetellen (KB art. 7/1)
De lijst van kosten die in de TCO mogen, is exhaustief. Wat er niet in staat, hoort er niet in.
Kosten onderworpen aan btw:
- Reinigings-, onderhouds- en herstellingskosten
- Vervangen, verwisselen en stockeren van banden
- Tol- en parkeerkosten
- Carwash- en reinigingskosten
- Kosten van een vervangwagen
- Kosten voor het rijklaar maken van het voertuig
- Expertisekosten bij teruggave van het voertuig
- Herstelkosten geïnventariseerd bij teruggave einde contract
- Beheerskosten van dienstverlening
- Administratiekosten voor tank- en laadkaarten
- Afschrijving, onderhoud en beheer van het laadstation
Kosten niet onderworpen aan btw:
- Verzekeringskosten, inclusief franchise
- Verkeersbelasting
- Belasting op de inverkeerstelling (BIV)
- Intresten op geleende kapitalen
- Kosten van de technische keuring
Eén randvoorwaarde die vaak misloopt: enkel kosten die gedekt zijn door het bedrijfswagenbeleid komen in aanmerking. Een kost die de werkgever draagt maar die niet in het wagenbeleid staat, hoort niet in de TCO.
10. Wat er bovenop de directe kosten komt
- CO2-solidariteitsbijdrage — de maandelijkse RSZ-bijdrage op de bedrijfswagen
- Werkgeversbijdrage op het voordeel van alle aard
- Niet-recupereerbare btw — afhankelijk van de gekozen btw-aftrekmethode: forfaitair 35%, werkelijk beroepsgebruik, of semi-forfaitair
- Vennootschapsbelasting op het niet-aftrekbare deel van de autokosten (verworpen uitgaven)
Die laatste twee verklaren waarom de fiscale aftrekbaarheid van de wagen rechtstreeks doorweegt in het mobiliteitsbudget. Hoe lager de aftrekbaarheid, hoe hoger de TCO, hoe hoger het budget.
Laadstation thuis. Wanneer de werkgever eigenaar is van de thuislaadinstallatie, wordt die volgens het KB van 10/09/2023 afgeschreven aan 20% per jaar. Onderhouds- en beheerskosten komen daar jaarlijks bij. Zit het laadstation in het leasecontract, dan zitten die kosten al in het leasebedrag — ze een tweede keer opnemen bij de overige kosten is een klassieke dubbeltelling.
11. Rekenvoorbeeld
Eén en dezelfde wagen, drie berekeningen. Uitgangspunten: een volledig elektrische wagen met een cataloguswaarde van €45.000, nieuw (leeftijdscoëfficiënt 1,00), besteld vanaf 01/01/2026, operationele lease van €750 per maand, werkgever betaalt het laden, €300 overige kosten met btw en €150 zonder btw per jaar, btw-aftrek forfaitair 35%, vennootschapsbelasting 25%, brutojaarloon €90.000.
Werkelijke kostprijs tegenover forfaitair — dezelfde werknemer, 25 km woon-werk
| Berekeningsmethode | Mobiliteitsbudget |
|---|---|
| Werkelijke kostprijs | €12.419,38 |
| Forfaitaire formule | €13.512,33 |
| Verschil | €1.092,95 |
Het verschil zit volledig in de brandstof- en elektriciteitskost. De werkelijke laadkost bedraagt €900 per jaar; de forfaitaire formule schat die op basis van 16.000 km woon-werk. Welke methode hoger uitvalt, hangt dus vooral af van hoeveel de werknemer werkelijk rijdt tegenover wat de formule veronderstelt.
Dezelfde wagen, dezelfde policy, twee werknemers — forfaitaire methode
| Woon-werkafstand enkele rit | Forfaitaire brandstof-/laadkost | Mobiliteitsbudget |
|---|---|---|
| 15 km | €1.713,60 | €12.941,13 |
| 45 km | €3.427,20 | €14.654,73 |
Twee collega's met exact dezelfde wagen en dezelfde functie komen €1.713,60 uit elkaar, enkel omdat de ene 30 km verder van kantoor woont. Dat is de individuele component uit sectie 2, in cijfers — en het is precies de vraag die HR terugkrijgt.
Deze bedragen worden berekend met dezelfde formules en dezelfde parameters als de TCO Calculator, en volgen elke parameterwijziging automatisch.
12. De grenzen: minimum, maximum en salarisplafond
- Minimum
- €3.233
- per jaar
- Maximum
- €17.244
- per jaar
- Bijkomend plafond
- 20%
- van het bruto jaarsalaris
Het laagste van maximum en salarisplafond geldt. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd, en elk budget wordt op 1 januari aan de nieuwe grenzen getoetst.
13. Wat 2026 verandert aan de berekening
Fossiele wagens besteld vanaf 01/01/2026 zijn 0% fiscaal aftrekbaar. Dat duwt de TCO van die wagens omhoog, en dus ook het budget dat eruit volgt. Voor wagens besteld tussen 01/07/2023 en 31/12/2025 geldt een overgangsplafond van 50%.
Pijler 1 aanvaardt vanaf 01/01/2026 enkel nog volledig emissievrije voertuigen. De norm wordt getoetst op de datum van ondertekening van de bestelbon of het leasecontract. Ook gemotoriseerde voertuigen binnen pijler 2 moeten vanaf dan emissievrij zijn.
De CO2-referentie-uitstoot en de indexering van de parameters zijn aangepast voor 2026. Een berekening met de parameters van vorig jaar geeft een ander budget.
14. Van berekening naar uitvoering
De berekening is eenmalig werk. De uitvoering is dat niet.
Wat erna komt: elk individueel budget opvolgen, bestedingen in de drie pijlers toetsen aan de policy, het saldo correct doorgeven aan payroll, en elke transactie auditeerbaar houden. Elke 1 januari komt daar de toetsing aan de nieuwe minimum- en maximumbedragen bovenop, en als u voor indexatie gekozen hebt, een herberekening over de hele populatie.
Dat is dagelijks werk, en het is waar de meeste mobiliteitsbudgetten stuklopen — niet op de berekening.
Bereken de TCO van een concrete wagen
Open de TCO CalculatorLeg deze keuzes vast in een policy
FMB Policy GeneratorVraag over een specifiek dossier?
Contacteer onsDeze pagina beschrijft de Belgische wetgeving rond het Federaal Mobiliteitsbudget en de bijhorende KB's, met geïndexeerde parameters voor 2026. Ze is uitsluitend bedoeld ter informatie. Voor een bindende berekening of een specifiek dossier raadpleegt u een mobiliteits- of fiscaal expert.